De wachtlijstproblematiek is volgens de Rekenkamer gebaseerd op 3 fundamentele punten:

  1. Financiële prikkels in de bekostiging van de ggz maken het voor de zorgaanbieders aantrekkelijk om zich vooral te richten op patiënten met minder zware problemen.
  2. Patiënten met een zware zorgvraag zijn aangewezen op geïntegreerde ggz-instellingen, waar professionals vanuit verschillende disciplines samenwerken. Juist in deze instellingen is een capaciteitsprobleem, onder meer door een personeelsgebrek.
  3. Het is moeilijk om geschikte begeleiding te vinden voor patiënten die de specialistische ggz kunnen verlaten. Hierdoor blijven zij plaatsen innemen die eigenlijk vrij zouden moeten komen voor nieuwe patiënten.

Oftewel:

  1. krenten uit de pap
  2. personeelsgebrek
  3. uitstroom

Deze analyse is waterdicht vanuit het perspectief van de huidige grote geïntegreerde GGZ aanbieders. Echter wanneer je dit frame loslaat en uitzoomt zijn er betere en meer passende verklaringen. En daarmee ook oplossingen.

Het vigerende model waarbinnen cliënten in de GGZ worden gezien en behandeld is het stoornis-gerichte classificatie-model (een afgeleide van het medisch model). Voor het gemak in deze discussie het ‘medisch model’ genoemd. Echter het medisch model werkt alleen goed als er sprake is van ziekte. Dan is er een (relatief) lineair en daarmee goed voorspelbaar verband tussen de ziekte, de meest passende behandeling en het beoogde resultaat.

Maar bij meer dan 80% van de cliënten in de GGZ ís helemaal geen sprake van ziekte. Er is sprake van (ernstige) levensproblematiek. Waarvoor het coachingsmodel van toepassing is. Dit model is fundamenteel non-lineair en heeft minstens 3 (of meer) variabelen:

  • de cliënt
  • de coach/hulpverlener
  • de context

Dit betekent dat de ‘klik’ tussen cliënt en hulpverlener de beste voorspeller van succes is omdat dit al twee van de drie variabelen ‘dekt’. In de literatuur ‘aspecifieke therapeutische variabelen’ genoemd.
Terwijl wanneer wij dit in een sport-metafoor gieten volstrekt helden en duidelijk is, blijven wij dit als maatschappij maar niet snappen wanneer het om (ernstige) levensproblematiek gaat.

Intermetzo:

Neem een jong persoon die wil leren voetballen. Is het dan een garantie voor succes wanneer de beste voetbalcoach op de wereldranglijst van stal gehaald wordt om deze jonge man of vrouw te coachen? Nee, natuurlijk niet… Er zal een coach gevonden moeten worden die past bij de ontwikkelingsfase (begin maar bij de F-jes), er zal enige motivatie en inzet bij de jongere moeten zijn, de context moet het proces ondersteunen (of op z’n minst niet frustreren) en het meest belangrijke, er moet een ‘klik’ zijn tussen de jongere en de coach.
Gôh, het lijkt we een therapeutisch traject!

Wat leren wij hiervan?

  1. Kennis en opleiding is dus in de meeste gevallen niet de grootste bijdragende factor (dit in tegenstelling tot hoe het medisch model werkt, hierbinnen is kennis wél de onderscheidende factor)
  2. Een mooi voorspelbaar lineair verband tussen input en output, wat zo kenmerkend is voor het medisch model, is afwezig
  3. De ‘klik’ (aspecifieke therapeutische factoren) is veruit het meest belangrijk.

Vanuit deze context gekeken, en ondersteund door mijn persoonlijke ervaringen binnen 13 jaar acute psychiatrie:

zijn de 11.000 ‘complexe’ cliënten mensen die niet profiteren van het ‘medisch model’. Alléén binnen dit model zijn deze cliënten ‘complex’.

Méér van hetzelfde (meer geld, meer personeel, meer plekken binnen de geïntegreerde GGZ) gaat het probleem niet oplossen!

In mijn ervaring (anekdotisch idd) en ondersteund door ervaring van anderen (waaronder ervaringsdeskundigen/ervaringswerkers) blijken de problemen én complexiteit van deze doelgroep aanzienlijk te verminderen wanneer zij uit het medisch model geraken/stappen en (vaak bij toeval) met een passende coach in proces komen en eigenregie hervinden.

Is een belangrijk deel van de door de maatschappij én zorginstellingen beleefde zorgzwaarte en complexiteit gelegen in het feit dat deze partijen (en daarbinnen werkzame personen) heftige emoties niet verdragen. Mijn werk binnen de crisisdienst en in andere ‘complexe’ situaties bestaat hoofdzakelijk uit het verdragen van de aanwezige (vaak volstrekt begrijpelijke) zeer heftige emoties (angst, boosheid, verdriet) en het helpen van de omgeving dit ook te verdragen, totdat de rust is wedergekeerd, de cliënt gezien-en-gehoord kan worden in zijn/haar lijden en de verbinding hersteld kan worden.

Pas daarna is in een klein deel van de gevallen mijn kennis als hoog opgeleide professional nuttig, wanneer specifieke medische oplossingen/interventies nodig zijn.

Wanneer we geen gebruik maken van de frame van de GGZ, dan verdampt niet alleen het overgrote deel van de instroom (waarmee de kosten en het persooneelsprobleem vermoedelijk ook aanzienlijk zullen verminderen), maar ook het uitstroomprobleem.

Zien dat deze doelgroep vooral complex is binnen de frame, maakt ruimte voor passende oplossingen. Oplossingen die niet via de ZVW gefinancierd hoeven worden, en waar mijns inziens een nieuw in te richten PGB-achtige financiering de meest geschikte werkvorm voor is.